Logo




Patiënt: De politieke verliezers

Recept: Er gebeurde o.a. niets van Joubert Pignon

Als arts leer je de diagnose inpakken, maar de boekendokter heeft daar nu even geen boodschap aan. Voor de draad ermee: het leven valt dikwijls tegen. We mogen niet klagen, en daarom doen we het ook niet als we daar alle reden toe hebben. Bijvoorbeeld omdat we verloren hebben. We hebben ons best gedaan, we hebben er veel voor opgegeven. Maar het heeft niet mogen zijn. We zijn – in het beste geval – tweede geworden. Maar meestal staan we nog veel, veel lager.
Ze hadden toch tegen ons gezegd dat het ons zou lukken als we maar hard genoeg onze best deden? We konden toch alles worden waar we maar van droomden?
Dat zeiden ze, inderdaad. Nu hoor je ze niet meer. Of het moet wat gefluister achter uw rug zijn. Meestal weten ze niet eens dat u bestaat. Want: U hebt verloren.
Wat nu? Verder doen, zeker? Maar hoe kijk je jezelf in de spiegel als je zelfbeeld aan diggelen ligt? Met stukjes en beetjes, is het antwoord.

Iemand die het u voordoet, is aan het woord in Er gebeurde o.a. niets door Joubert Pignon (1978), een Nederlandse dierenwinkelmedewerker die tijdens de klantenloze momentjes aan het schrijven sloeg. In die zaak moet het er nogal druk zijn want hij beoefent het genre van het ultra korte verhaal. Verhalen met titels als ‘Shoarmacroissants’, ‘Hamster’ en ‘Smeerlap’ beslaan nauwelijks een pagina. Plotontwikkeling is er nauwelijks, meedogenloos absurdisme des te meer. Pignon zet in deze korte tranches de vie zichzelf neer als iemand die wil begrijpen en begrepen worden. Verlangens die nooit vervuld zullen worden en daarmee drinkt hij, staart hij, peinst hij en wacht de Enige Zekerheid af.
Ik hoor u al denken: ‘Boekendokter, is dat niet al te zware kost? Ik ben al zo triest van mezelf.’ Wees gerust, deze droefenis is dadaïstisch van aard en dus – enigszins – draagbaar. Een man die zichzelf opeet, een hysterische kleuter die lijkt op een bekende acteur, elkaar een clownsneus slaan; van die vrolijkheid die je wel kunt gebruiken als je net van het lot verloren hebt.
Lees dit. Na afloop mag u gerust een potje gaan huilen. U weet dat u toch niet langer alleen bent.

Patiënt: De nog steeds zwevende kiezer

Recept: De verwondering van Hugo Claus

De N-VA scoort goed bij artsen, aldus de N-VA. Dus misschien dat er bij de boekendokter al een vertekening op dit voorschrift zal zijn. In tegenstelling tot sommige confraters, zal hij echter geen stemadvies geven. Zoals de trouwe bezoeker van deze rubriek weet, is de boekendokter aanhanger van de methode om een probleem op te op te lossen door het te vergroten. Een sloddervos gaat pas zijn ondergoed wassen als het te erg gaat stinken, dat idee.

Wie zondag staat aan te schuiven voor het gordijntje, heeft het niet makkelijk. Ondanks de al jarenlang aanhoudende crisis, is de welvaart in dit land nog steeds bijzonder hoog. Wat betreft de terugval in economische groei, zit dit deel van de wereld nog steeds niet op het niveau van de jaren’ 90 – ook niet bepaald een armzalige periode. Of dat ondanks of dankzij de politici is, daar zal ongetwijfeld uw stem van afhangen. Een helder antwoord is er niet.
Het zijn dus tijden van verwarring. Een goede roman die verleden en heden, het politieke en het persoonlijke en het botsen van verschillende wereldbeelden behandelt, is zeldzaam. De verwondering van Hugo Claus (1929 – 2008) is zo’n boek. De schrijver ervan is in zijn leven zowel overtuigd flamingant, belgicist als eurofiel geweest. Verschuivende inzichten dus.

In De verwondering ontmoeten we Victor-Denijs de Rijckel, een 37-jarige leraar Engels-Nederlands die les geeft op een school in Oostende. Hij woont in een hotel sinds hij gescheiden is van zijn oud-leerlinge Elisabeth. Op een avond raakt hij op het spoor van een mooie vrouw. Op zoek naar haar verzeilt hij in ex-collaboratiekringen. Hij belandt in een mentale crisis en wordt in een kaduke psychiatrische instelling geplaatst. Daar houdt hij drie dagboeken bij. In het eerste schrijft hij voor de medische staf zijn wedervaren, in het tweede zijn persoonlijke gedachten, in het derde zijn eigen mysteries.

De roman vraagt een voortdurende aandacht van de lezer. Het zit boordevol historische, mythische en literaire verwijzingen. Maar waar referenties vaak gebruikt worden als versiering of decodeersleutel, zijn die functie bij De verwondering totaal afwezig. Motieven uit de religieuze en klassieke wereld verduidelijken niet langer, ze vertroebelen de wereld van De Rijckel en zo ook die van de lezer.

Wat moet je zo’n boek? In gelijke delen lezen en ondergaan. De roman doet recht aan de complexiteit van onze gedachten en ideologische constructies. Met andere woorden, het doet meer recht aan onze werkelijkheid dan wat voor slogan dan ook. Het werpt u terug op uzelf en dwingt u na te denken over het eigen functioneren wanneer alle verhalen tilt slaan.
Doe er u voordeel mee. U staat zo meteen niet voor niets alleen in het stemhokje.

TAGS:

Patiënt: Wie zijn familie niet meer ziet

Recept: De Vlek van Willem Jan Otten

Er zijn de afschuwelijke gevallen zoals we nu verbeeld zien in Little Black Spiders. Geen groter leed dan beseffen dat de moederband je ontzegd is.
Maar het hoeft nog niet eens te gaan over de onvoorwaardelijke aller liefdes. Ruzies over slordig geschreven restaurantrekeningen groeien uit tot jarenlange verwijdering. Twee onoverdachte blikken spannen samen om elkaar nooit meer te kruisen. Zoals een korstje kan gaan zweren tot een amputatie.

Iedereen wordt opgescheept met familie. Dat is lot, veroordeling en gunst tegelijk. De boekendokter is er van gespaard gebleven maar wat als oom of zus een tang, een secreet of een klootzak blijkt te zijn? De bloedverwantschap dwingt je dan tot een onvergelijkt vergelijken. Misschien heb je ook wel iets van die onhebbelijkheid? Misschien verwarde je nestgeur met vertrouwen?
Hoe oprecht de woede tussen mensen ook kan zijn, het familiebouwsel heeft maar weinig van doen met de wetten van goed en kwaad. Een vriend kun je verwaarlozen, een verliefdheid kan verdampen, maar een verwant vergeet je nooit. Hoe graag je soms ook wil, eeuwen aan leren overleven hebben ervoor gezorgd dat de genen geen gêne kennen. Ze blijven je lastigvallen, ze laten zich niet ontkennen.

‘Het blijft toch je broer’, is de belangrijkste drijfveer van de verteller in De vlek van De Nederlandse schrijver Willem Jan Otten (1951). Hij heeft Abel Kans, zijn broer, al jaren niet meer gezien. Kans, beter bekend als Abby Chance is een jazzsaxofonist op ruste, die op te horen krijgt dat hij een vlek op zijn longen heeft en dat daar nog maar weinig aan te doen is. Chance hoort het vonnis aan en geeft te kennen het niet te willen aanvechten. Als blijkt dat zijn longfoto’s zijn verwisseld met die van een priester, is hij al uit het oog verdwenen. De verteller is echter veiligheidsbewaker van het ziekenhuis waar het misverstand is ontstaan. Op bewakingsbeelden ziet hij hoe zijn broer naar buiten sloft. Hij neemt het op zich om hem het goede nieuws te vertellen. Maar heeft Chance niet al jaren geleden afscheid genomen van het leven toen hij van het podium stapte?

De vlek is een verhaal geschreven in gedichten. Dat betekent veel bladwit en dus veel ruimte om zelf in te vullen. Uit de summiere info die we krijgen over de personages worden we gedwongen een beeld te vormen. Chance is een man die het eist om bekeken te worden, de verteller lijkt zijn hele leven een toeschouwer te zijn geweest. Op den duur lijken ze dat elkaar te zijn gaan verwijten.
Dat de bewaker toch zijn vreemde, bekende broer wil behoeden, hoe de goede bedoelingen uitpakken, het kan stof tot overweging vormen voor al wie iemand alleen nog maar van de verjaardagskalender herkent.

TAGS:

Patient: De kersverse student

Recept: Gloriejaren van Herman Stevens

De inschrijfperiode voor het hoger onderwijs nadert haar einde. Hoop of dwang zorgen ervoor dat een heleboel jongeren zich binnenkort weer naar de hogeschool- of universiteitsbanken begeven. Sommigen leren daar hoe ze mensen moeten genezen, anderen leren dan weer wat om al die genezen mensen wat te doen te geven.

Wat de boekendokter verbaast is hoe generatie na generatie zijn mond houdt over de vele klotedagen die je ook meemaakt eens je op het level ‘volwassen’ bent beland. Misschien omdat alles dan in elkaar stuikt. Een jongvolwassene krijgt van zijn ouders te horen dat studeren moet, van de universiteit dat het prachtig is en van jezelf dat het onontkoombaar is. Allemaal goed en wel, maar dat eerste jaar aan de universiteit of hogeschool kan toch flink eenzaam zijn. Daar zit je dan op je kamertje. Alle ambities en goede bedoelingen van de wereld houden je maar zo lang gezelschap. Je moet door, de toekomst verdraagt slechts eenrichtingsverkeer.

Misschien dat studenten allesbehalve zin in nog een boek hebben, maar dit rechttoe-rechtaan geschreven exemplaar, is niet al te moeilijk te verhapstukken. En er komt geen overhoring.

In de bildungsroman ‘Gloriejaren’ wordt de lezer voorgesteld aan een vriendengroep op de drempel van de volwassenheid. Alleen nog het eindexamen halen en dan kunnen de wensbeelden werkelijkheid worden. Dromen over buitenlandse reizen, een glamourbestaan als gangster, de wetenschap in, een jaar lang negentiende-eeuws zuipen als student in universiteitsstad Leiden. Alleen Wiel, het vriendje van de ambitieuze en dromerige Zina, ziet zichzelf vooral als toeschouwer van het verlopen van de tijd.

Herman Stevens beschrijft de studententijd als een periode die meer te maken heeft met moedeloosheid dan met het intrinsieke geluk van de kennisverrijking. Volwassen worden is een onontkoombare opdracht die met het verlies van idealen gepaard gaat. Geen uitzonderlijk inzicht maar het is Hermans verdienste dat hij het nauwgezet en haast onverdraagbaar realistisch optekent.

Aan het einde van het boek is er in de levens van de hoofdpersonages maar weinig fataal verkeerd gegaan – op een gruwelijke uitzondering na. Maar helaas is er voor hen ook weinig uitzonderlijks weggelegd.
Te gebruiken als het malen over later maar niet wil stoppen.

TAGS:

Patiënt: de zwevende kiezer

Recept: De wereld veranderen door John-Paul Flintoff

Dat is nu eens vervelend, zie. Dat niet aan politiek doen ook politieke gevolgen heeft. Want genoeg Vlamingen hebben er geen zin meer in. Ze vertrouwen hun politici niet. ‘We stemmen al onze hele leven en we hebben het nog nooit zien veranderen’, is dan het schouderophalend verweer.

Daarover valt te discussiëren, maar laten we dat liever niet doen. Dat doen al genoeg mensen, vooral als ze op tv zijn. Bovendien valt het op dat de traditionele partijen steeds meer op elkaar zijn gaan lijken. Zeker, in de programma’s zijn er nog verschillen te bespeuren maar die overleven maar zelden de coalitievorming.

Wat u over een maandje stemmen moet, kan de boekendokter u niet voorschrijven. Wel kunt u iets uitproberen tegen al te hardnekkige onverschilligheid.

Het popfilosofische ‘De wereld veranderen’ is in al zijn oprechte directheid zowel naïef vertederend als aanstekelijk vrolijk. Activist-journalist John-Paul Flintoff vraagt zich af hoe we ons staande kunnen houden voorbij het besef dat we stofjes in het universum zijn. Hij bestrijdt de notie dat de geschiedenis het broddelwerk is van het lot of de erfenis van genieën. Hij citeert Tolstoi die de geschiedenis het geheel noemt van ‘een oneindig aantal oneindig kleine handelingen’.

Wie vreest dat we nu allemaal naar de kalashnikov of de zeis moeten grijpen, hoeft zich geen zorgen te maken. Dit – overigens handzaam en vlot vormgegeven – boek is niet schreeuwerig maar probeert op een nuchtere, alledaagse manier richtlijnen neer te zetten over hoe je ontdekken kunt wat je belangrijk vindt en hoe je die passies kunt inzetten om de status quo wat te verschuiven.

Natuurlijk, iedere aansporing moet wat aan nuance ontberen om enthousiasmerend te zijn en af en toe waait er wel eens een open deur open. Maar een beetje tocht is nooit slecht tegen het stof.

Misschien dat u na lezing absoluut niet meer het stemhokje in wil of net lid wil worden van een partij, maar u zult minstens één keer hebben gedacht: ‘Misschien moet ik eens niet de schuld aan een ander geven.’

Patiënt: Wie niets van de ander snapt

Recept: Ik ben maan van Maan Leo

“De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.” Zo eindigde Gerard Walschap een van zijn romans. En passant vatte hij zo perfect het bestaansrecht van literatuur samen. Als we wisten wat we aan moesten met onszelf, schreven we wel handleidingen in plaats van gedichten.

Een andere, minder charmante manier om de wereld een beetje overzichtelijker te maken is in de weer gaan met stempels en clichés. Mannen zijn dommig maar vol camaraderie, vrouwen zijn lief maar grillig, twintigers zijn de weg kwijt, dertigers ook maar tot overmaat van ramp zijn ze daar ook zelf van op de hoogte. Enfin, u kent de sjablonen wel. Sterker nog, stiekem gebruikt u ze zelf wel eens. Even niet opletten, en hopla; een luie gedachte ligt altijd op ooghoogte en binnen handbereik.

In vakjes stoppen ruimt lekker op, maar tot begrip leidt het zelden. Daarom is het goed te kijken naar wat afwijkt van de norm. En afwijken, dat doet Maan, het hoofdpersonage in Ik ben Maan van de Nederlandse schrijfster Maan Leo. U wilt inzicht in de middelpuntvliedende geest van een biseksuele, -polaire, gerontofiele, pedofobe, goedgebekte, jonge vrouw die het afwisselend heel goed voor elkaar heeft en dan weer totaal de weg kwijt is ? Dan is dit uw boek. En o ja, ze heeft ook nog eens een heel flinke boezem. Ook al zoiets wat zowel tot last en lust leidt.

Ik ben maan vertelt geen verhaal maar is een uitgebreid visitekaartje, zelfportret en catharsis ineen. In zeventien vermakelijke hoofdstukken belicht Leo de verschillende aspecten van haar wezen. Dat had kunnen leiden tot een betekenisboek dat het gebrek aan originaliteit amechtig probeert te compenseren met eerlijkheid. Maar dat zou de boekendokter u niet aandoen. Leo bespot en versiert zichzelf in smeuïge, excentrieke bewoordingen die gieren in de bochten zonder eruit te vliegen.

Maan Leo
Proevertje?

“Niets aan mij is normaal. Mijn cupmaat niet, mijn mussoliniaanse kaaklijn niet, mijn oriëntaalse ogen niet, mijn waanzinnig onregelmatige stoelgang niet, mijn fantasieën niet, mijn angsten niet, zelfs mijn neus niet, want elke standaard zonnebril steunt op mijn wangen in plaats van mijn neusbrug. De kunst is om al deze afwijkingen niet als obstakels te beschouwen maar als de wielen van een zegekar, een praalwagen. Een onstuitbaar voortdenderend voertuig waarmee ik de wereld verbluf en louter oh’s en ah’s oogst…”

Lees dit boek. Misschien dat u nog steeds niets van uzelf en de ander snapt. Maar na lezing van dit boek zal deze vaststelling u net iets minder triest stemmen.
TAGS:

Patiënt: Wie weer aan het werk moet

Recept: The Man Who Ate Bluebottles And Other Great British Eccentrics van Catherine Caufield

Toen Hij ons uit de Hof van Eden gooide, dacht God niet goed na. Goed, dat kinderbaren pijn moest doen, was een naaistreek. Maar in het zweet des aanschijns ons brood verdienen, dat is geen straf. Werk maakt gelukkig, zo leert de psychologie ons. Niet toevallig een wetenschapstak die opkwam toen steeds minder mensen moesten gaan zaaien, dorsen en kneden om aan hun halfje wit te komen.

Niet iedere job is zaligmakend, natuurlijk. Er moet wat vrijheid en verantwoordelijkheid in zitten, en het idee dat het nog een beetje nuttig is wat we doen, is ook van tel. Maar als dat een beetje in orde zit, is werk een zegen, geen straf.

Het maandagochtendgevoel valt echter niet te ontkennen. Zeker niet na een paar weken petanque of party’en. Het helpt ook niet dat de meeste werkomgevingen nog steeds zijn samengesteld uit een kleurenpalet dat gemakkelijkheidhalve ‘DDR’ kan worden genoemd. Opmerkelijk, hoe onnadenkend wij omgaan met de ruimte en de mensen waar we het grootste deel van onze waakzame uren mee doorbrengen.

Maar toch, dierbare lezer, werk is goed voor u. Wat te veel vrije tijd met u doet, kunt u lezen bij het hilarische non-fictiewerk The Man Who Ate Bluebottles And Other Great British Eccentrics van The Guardian– journaliste Catherine Caufield. Het boek is een verzameling levensbeschrijvingen van ongevaarlijke gekken, voornamelijk adellieden uit de achttiende en negentiende eeuw. Het Britse Koninkrijk was toen op het hoogtepunt van zijn wereldwijde macht en dat betekende vooral veel geld voor mensen die er nooit ook maar één klop voor gedaan hebben.

Dat zorgde voor enorme spilzucht en legendarische gierigheid. Soms verenigd in een en dezelfde persoon.

William Beckford bijvoorbeeld had eind achttiende eeuw zo’n vijftien jaar reizen erop zitten. Dat klinkt minder avontuurlijk dan het was. Want hij was altijd vergezeld van een dokter, een maître d’hotel, een bakker, een kok, een lakei, drie knechten en o ja, 24 muzikanten. Natuurlijk ging hij de deur niet zonder bed, bestek, borden, boeken en schilderijen. Toen hij in Portugal was, liet hij ooit een kudde schapen uit zijn thuisland overkomen om het uitzicht wat te verbeteren.

Toen hij zich eindelijk vestigde, fleurde hij zijn landgoed op met nagelnieuwe ruïnes en gigantische woontorens ter grootte van een kathedraal. Veel is daarvan niet overgebleven, omdat hij ongeduldig was en daardoor minderwaardige materialen liet gebruiken door opgejaagde werklieden.

De vijfde hertog van Portland was dan weer niet zo gecharmeerd van opzichtigheid en gezelschap en liet een gigantische woning onder de grond aanleggen. Vreemd genoeg met een danszaal waarin tweeduizend mensen pasten. In de meeste kamers kwam hij nooit. Het Britse leger heeft er nu zijn intrek genomen.

Filosoof Thomas Day hield dan wel weer van wat gezelschap maar op zijn voorwaarden. Zo adopteerde hij twee meisjes die hij opvoeden zou tot zijn ideale echtgenote. Hoewel hij al een reserve ingecalculeerd had, werkte ze plan niet. Voornamelijk omdat hij ze te dom vond na zijn uitgekiende opleiding.

Zo ziet u maar, wees maar blij met uw kantoortijden en loonbrief. Het is enige wat u nog een beetje normaal houdt.

Patiënt: Wie moet afkicken van de sportzomer

Recept: Oblomov van Ivan Gontsjarov

Wie vindt dat vrouwen meestal maar een eind in de rondte kletsen, heeft deze zomer geen tv gekeken. Er kan geen bal getrapt of been gestrekt of er komt een nabeschouwing van een paar uur overheen denderen. Was de trap niet te zacht, kon het been niet wat rechter? Variaties op die vraag worden herhaald tot de slaap echt niet meer valt af te vechten.

Volgens een hardnekkig gerucht, in dubieuze krantenkolommen altijd gestaafd door ‘een wetenschappelijke studie’, wordt er meer gevreeën in een zegevierend land. Gezien de Belgische prestaties de afgelopen weken, komt iedereen hier toe aan een goede nachtrust.

Dus na al dat treurbuisgeklets, kruipt iedereen onder de lakens om die vooral niet al te vies maken. Nu ligt er natuurlijk voldoende zinnenprikkelende literatuur in de schappen om daar wat aan te veranderen. Er schijnt zelfs een hype’je aan de gang te zijn tegenwoordig. (Maar beperk u vooral niet tot wat uw buurvrouw al leest, ahum.)

Wie echter wil aftrainen van al dat passief sporten, doet er beter aan een boek tot zich te nemen waarin vooral niet bewogen wordt. En daar past maar één middel bij: Oblomov van de rus Ivan Gontsjarov (1812 – 1891). In de eerste 150 pagina’s van het boek komt het gelijknamige hoofdpersonage niet eens zijn bed uit.

Met de opkomst van industrialisatie en de gelijktijdige aantasting van het feodale gezag van de vaak schatrijke adel, kwam de zogenaamde ‘overbodige mens’ steeds vaker naar voren in de literatuur. Volgens de filosoof Awee Prins is er ‘geen literaire traditie waarin de verveling zo’n dominante, obsederende rol speelt als de Russische literatuur van de negentiende eeuw.’

Ter illustratie, een hoogtepunt van activiteit uit het boek: ‘Oblomov wilde uit zijn stoel opstaan, maar zijn voet vond niet onmiddellijk zijn slof en hij ging weer zitten.’

Wat doet de beste man dan wel? Weinig meer dan klagen over de koude drukte die het menselijk bestaan is en herinneringen ophalen aan vroeger. Vanzelfsprekend is het dan ook de stijl en diepgang die het boek tot een klassieker heeft gemaakt. Het is daarom ook zeer aan te bevelen voor wie alle juichclichés en treurherhalingen van de sportcommentatoren zat is.

Patiënt: Wie de festivalblues heeft

Recept: I play the drums in a band called okay van Toby Litt

De boekendokter heeft altijd een dada gehad voor utopieën. De aantrekkingskracht van droomwerelden- of toekomsten is natuurlijk omgekeerd evenredig aan de uitvoerbaarheid ervan. Soms, voor heel even, worden ze gerealiseerd. In het beste geval draaien ze uit op een wrange mislukking.

Dus gaan we op zoek naar tijdelijke, handzame alternatieven. Een paradijsje opgetrokken uit matrassen en geloken luiken, een tweede fles, een festival. Vooral dat laatste komt nog het dichtst in de buurt van een maatschappelijke variant van de utopie.

Maar geen bevrediging zonder honger naar meer. Vooral pubers hebben last van festivalblues. Het is een aandoening die, net zoals hooikoorts, in het voorjaar de kop opsteekt.

Toen de boekendokter er zelf nog een was, zeiden zijn leeftijdsgenoten medio maart al dat ze niet konden wachten tot Okselrock of F*kfest. Diep ongelukkig frummelden ze aan de verragde polsbandjes van vorige edities.

Na maanden van sparen en zuchten, brak dan eindelijk het festival aan. Een tijdelijke opheffing van verplichtingen zoals arbeid en lichaamshygiëne, een seculiere hadj. Die dagen bestonden vooral uit het ontwijken van verveling, gehoorbeschadiging, zonnesteek en losers die niet begrepen waar het festival eigenlijk echt om draaide.

Een paar dagen later bleek de schimmel niet weg te koken uit de slaapzak en vergleden de kater en voedselvergiftiging tot melancholie. De zin ‘We kunnen we er weer tegen voor een jaar’ geldt als symptoom voor een stevig geval van festivalblues.

Het komt vaak voor dat lijders aan dit syndroom, de utopie willen oprekken door zelf een bandje op te richten. Een eeuwige pelgrimstocht en niet muziek maken is dan hun doel.

Dat een muziekgroep allesbehalve een cocon tegen het kwaad is, blijkt uit het hilarische I play the drums in a band called okay van Engelsman Toby Litt (1968). okay (cursief geschreven, geen hoofdletters) is de band van Syph, Clap, Mono en Crab. Inderdaad, niet hun echte namen, wel rock-’n-roll. Drummer Clap vertelt het verhaal van een band die meer is dan een eendagsvlieg maar toch vooral bekend is van die ene hit. Ze zijn rijk, soms verslaafd en worden ouder. Ze touren en zijn constant de weg kwijt, scoren groupies maar worden toch verliefd.

Litts kurkdroge imitatie van hip gelul en rockclichés is al vermakelijk genoeg. Maar vooral zijn subtiele beschrijving van hoe beperkend de eeuwige rocksterrenjeugd is, maakt deze tragikomedie tot een perfect antidotum.

zie ook: Cobra sprak met Toby Litt

Patiënt: Wie lijdt aan seksuele plankenkoorts

Recept: On Chesil Beach van Ian McEwan

Zoals wijlen de éénbenige grootvader van de boekendokter zei toen hij een half uur deed om de trap op te komen: ‘Als het niet zoveel moeite zou kosten, zou het niet zo leuk zijn.’

Met seks is het niet anders. Want laat u niets wijsmaken, gij schroom- en angstvallige, iedereen vindt het gedoe. Nu het zomer is, lijken festivalweide en vakantieresort te gonzen van copulerende koppels. Wie verlegen zit om gezelschap, verdenkt de buitenwereld wel eens van een lidmaatschap waarvan de ballotage uiterst geheim is. Maar die Vereniging van Vrije liefde bestaat niet.

Of het nu de allereerste keer is op een zompige matras tussen de flessen gejatte witte Martini of de zoveelste sessie met de zoveelste propper, het blijft aanpoten. Zoals met al het fragiele in het leven, is het beter om niet al te voorzichtig te zijn. Maar in de lichamelijke liefde geeft het ook geen pas om alleen maar een beetje aan te poten. Het is een vliesdunne wand tussen een man die van aanpakken weet en een hork met een kop van eelt.

Het is dat de drang tot de daad een van de sterkste drijfveren is die er bestaat, anders hadden velen er de brui aan gegeven. Dat neemt niet weg dat er aardig wat mensen last hebben van seksuele plankenkoorts. Om te voorkomen dat men vlucht voor het gordijn opengaat, is het goed om zich wat in te lezen.

Dé roman over bedzorgen is On Chesil Beach van de Britse knuffeleliteschrijver Ian Mc Ewan (1948). Het is 1962, seks schijnt wel voor te komen maar niemand praat erover. Edward en Florence zitten aan de vooravond van de huwelijksnacht, zijn tot over hun oren verliefd op elkaar en zenuwachtig als twee bolletjesslikkers met diarree.

Hij maakt zich zorgen dat hij te weinig mannelijk zal zijn, en zij dat ze te vrouwelijk zal zijn. Door een onvermogen erover te kunnen praten, wordt het een… Wel, de forte van het boek is dat de uitkomst zowel zeer menselijk als al te afschuwelijk is.

McEwan eerbiedigt rigoureus de klassieke wetten van eenheid in dit boek. Je hebt te maken met twee mensen, in hun hotel aan het strand en dat gedurende de nacht. Alleen op het einde zit een korte, wrange vooruitblik. Lezing van dit boek is vlak voor de handeling niet aan te bevelen. Maar een weekje voor de date, is het uiterst effectief. Al was het maar om te leren dat het alleen te zwaar wordt als u er te zwaar aan tilt. (Wel een beetje opletten toch.)